Doneer nu

Aanschaf hond: van fijne verwachtingen tot ware werkelijkheid

 

Iedereen die een hond overweegt, heeft verwachtingen van zijn toekomstige maatje en het houden van een hond. Echter, hoe verhouden die verwachtingen zich tot de werkelijkheid van het hebben van de hond, als deze er eenmaal is?

 

Amersfoort, 12 mei 2020

De Rijksuniversiteit Groningen onderzocht dit bij 183 mensen die aan het avontuur van een hond begonnen, met subsidie van de Hondenbescherming. Het onderzoek volgde de 183 mensen vanaf het moment dat zij zich voornamen een hond aan te schaffen, tot anderhalf jaar na aanschaf. Het onderzoek is bijzonder omdat het op deze wijze ‘vooruitkeek’ en kan bijdragen aan het voorkomen van minder geslaagde houder-hond relaties. Binnenkort verschijnt een artikel dat meer inzicht verschaft over hoe (fijne) verwachtingen vooraf zich verhouden tot de ware werkelijkheid van het houden van een hond.

Motivatiefase

Het houden van een hond begint immers al voordat iemand aan de hond begint. De meeste mensen die aan een hond beginnen, denken daarover namelijk na, gedurende langere of kortere tijd. Ze hebben in die ‘motivatiefase’ bepaalde verwachtingen van de hond en het hondenhouderschap. Mogelijk bepalen bepaalde processen tijdens de motivatiefase óf iemand aan een hond begint en hoe succesvol het houden van de hond wordt.

Tijdens het houden van de hond, de ‘ervaringsfase’ na de aanschaf, zullen er meer en minder positieve ervaringen zijn. Die ervaringen in de ware werkelijkheid kunnen in lijn zijn met de (fijne) verwachtingen die er vooraf waren, of niet.

Eerste half jaar

Uit huidig gepubliceerd onderzoek blijkt dat het eerste half jaar met een nieuwe hond mogelijk het meest kwetsbaar is. Die kwetsbaarheid geldt mogelijk vooral voor mensen die voor het eerst aan een hond beginnen. Zij lijken minder in staat de verwachtingen van de hond vooraf aan te laten sluiten bij de werkelijkheid.

Mensen die al een hond (ge)houden (hebben) lijken dat beter te kunnen. Dit blijkt eruit dat zij hun verwachtingen en overtuigingen minder aanpasten dan houders van een eerste hond, in het eerste halfjaar na de aanschaf van de hond. Mogelijk is dat eerste half jaar dus van groot belang voor nieuwbakken hondenhouders. De verschillen tussen hen en de ervaren hondenhouders waren niet zo groot in het jaar dat volgt ná het eerste halfjaar.

Het onderzoek wist vooral vrouwen te betrekken (87%) waarvan 30% professioneel met honden werkte. Voor het eerst aan een hond begon 16% van de deelnemers en zij waren gemiddeld jonger, 44% had al een hond en wilde er een bij, de overige hadden in het verleden een hond gehad.

Groeiende betrokkenheid

Gemiddeld nam voor alle onderzoekdeelnemers de betrokkenheid toe die zij met de hond ervaarden, naarmate de tijd verstreek. Opvallend genoeg echter, rapporteerden de ‘nieuwbakken hondenhouders’ een lagere betrokkenheid na aanschaf dan de ‘ervaren houders’ (zij die al eerder een hond hadden, of nu een hond hadden en er een bij wilden).

Mogelijk speelt hier voorzichtigheid een rol, of het gegeven dat het voor het eerst houden van een hond als lastiger wordt ervaren dan herhaald houderschap. Juist deze nieuwelingen namelijk, zagen minder de ervaren voordelen van hondenbezit dan de ervaren hondenhouders in het eerste half jaar na aanschaf.

Over ervaren nadelen werd ook gerapporteerd en gelukkig daalden deze in het eerste halfjaar (en in mindere mate in het jaar daarna), overigens ook bij de ervaren houders. De nieuwelingen rapporteerden ook een lagere zelfeffectiviteit.  

Zelfeffectiviteit betreft vertrouwen in je taakvolbrenging en probleemoplossend vermogen. Deze zelfeffectiviteit met betrekking tot het houden van de hond, nam net als betrokkenheid bij de hond toe in het eerste half jaar na de aanschaf. Daarmee lijkt het eerste half jaar na aanschaf van groot belang voor mensen die voor het eerst een hond aanschaffen. In dat jaar begeleiding geven om hun vertrouwen en probleemoplossend vermogen te vergroten, kan mogelijk bijdragen aan hogere betrokkenheid met de hond. Iets om nader te onderzoeken! Juist betrokkenheid kan logischerwijs bijdragen aan het al dan niet afstand doen van een hond.

Ongewenst gedrag

Ongewenst gedrag van de hond speelt mogelijk ook een rol van betekenis en dat over langere tijd dan het eerste halfjaar. Bij de nieuwelingen bleef de rapportage van ongewenst gedrag in het laatste jaar van meting gelijk (dus na het eerste halfjaar). Bij de ervaren baasjes daalde het echter. Ook daar lijkt het dus nuttig om ‘nieuwelingen’ van extra ondersteuning te voorzien.

Significante veranderingen in ervaren lasten van hondenbezit en tevredenheid met hondenbezit werden niet gevonden tussen de nieuwbakken en ervaren houders. Dit roept de vraag op of betrokkenheid bij de hond meer aandacht verdient als we een inschatting willen maken van hoe succesvol de relatie tussen hond en houder is.

 

Zo’n succesvolle relatie is niet alleen van belang voor de mens en het gezin dat met fijne verwachtingen begint aan het avontuur van een hond, maar ook voor de hond. Het zal herplaatsing voorkomen en de kans op een goed hondenleven vergroten. Nieuwbakken hondenhouders in het eerste halfjaar van hun avontuur extra ondersteunen lijkt van groot belang en hoe dit uitpakt op betrokkenheid is een interessante vraag voor vervolgonderzoek.

 

  Leestip: Lees het volledige artikel

  Podcast: Beluister de podcast met Prof. dr. Arie Dijkstra over dit onderwerp

 

 

Terug naar nieuwsoverzicht