Dierenpolitie en 144, een evaluatie

5 oktober 2016

Stand van zaken ‘Dierenpolitie’ en ‘meldnummer 144’ na 5 jaar

Het is alweer bijna 5 jaar geleden dat de zogeheten ‘dierenpolitie’ werd ingevoerd. En met de invoering van deze speciale agenten op dierenwelzijn werd ook het meldnummer 144 ‘Red een dier’ gelanceerd, waar mensen melding kunnen maken van dierenleed. Met de komst van de dierenpolitie werden er ook nadere afspraken over handhaving gemaakt met de al bestaande inspectiediensten zoals de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Naast de dierenpolitie en het speciale meldnummer werd tevens een strenger strafvorderingsbeleid door het Openbaar Ministerie (OM) ten aanzien van dierenmishandeling en –verwaarlozing ingevoerd.

Met deze maatregelen zette de overheid in 2011 dus concrete stappen om het dierenwelzijn een hogere prioriteit te geven en om dierenmishandeling en dierverwaarlozing harder en effectiever aan te pakken. Onderzoeksbureau Beke heeft in opdracht van de overheid bekeken of de genomen maatregelen en de gemaakte afspraken het gewenste effect hebben. De bevindingen van bureau Beke staan in het rapport met de titel ‘Hoe lopen de hazen?’ De stand van zaken in de aanpak van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Hieronder een beknopte samenvatting van het verslag met de voor ons in het oog springende aspecten. 

Meldpunt 144 en dierenpolitie

Zoals gezegd werd een speciaal meldnummer ingevoerd waar mensen meldingen van dierenleed kunnen maken. Vervolgens wordt de melding doorgezet naar de dienst of inspecteur die het beste in staat is hulp te verlenen of handhavend op te treden. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over optreden bij dier dat wordt gehouden voor hobby, gezelschap of beroepsmatig. Uit het onderzoek blijkt dat het goed is dat er een centraal meldpunt is.
‘Met meldpunt 144 is dierenwelzijn tussen de oren van mensen gekomen en burgers weten het meldpunt goed te vinden’, aldus de geïnterviewden in het rapport.
Het aantal meldingen was na de lancering erg hoog, maar is al enige jaren enigszins gestabiliseerd. De reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in het feit dat er na de invoering geen publiekscampagnes meer zijn gevoerd over 144. Verder denken mensen weleens dat het meldnummer niet meer bestaat, omdat de dierenpolitie is teruggebracht tot agenten met de taakaccent ‘dierenwelzijn’. Aanvankelijk was het streven van de overheid om te komen tot 500 voltijds dierenagenten. Dit streven is later teruggebracht tot het opleiden van 180 agenten met als taakaccent dierenbescherming. Formeel gezien is er dus geen exclusieve dierenpolitie meer, waardoor mensen soms denken dat het meldnummer 144 niet meer bestaat. 

Dierenwelzijn nog altijd een eerste lijnstaak van de politie? 

Door het afslanken van de dierenpolitie, dringt zich ook de vraag op of de politie nog voldoende is uitgerust om de zogeheten eerste lijnstaak op het terrein van dierenwelzijn naar behoren in te kunnen vullen. Het meldnummer 144 en de daarbij gemaakte afspraken tussen de inspectiediensten waren immers gestoeld op het idee dat er 500 voltijds dierenagenten zouden worden opgeleid. Nu dat is losgelaten, is dierenbescherming een taakaccent geworden voor agenten die zijn/haar aandacht niet volledig op het bestrijden van dierenmishandeling en -verwaarlozing kunnen richten. Vanwege tijdgebrek kunnen zaken dan niet goed worden opgepakt en/of blijven liggen. Alhoewel wordt erkend dat het goed is dat er een centraal meldnummer is, kan gezien de ontwikkelingen ten aanzien van de dierenpolitie de vraag worden gesteld of het centrale meldnummer 144 nog behapbaar is voor de politie. 

Gemis van het Landelijk Expertisecentrum Dierenwelzijn

De inspecteurs die op pad gaan om het dierenleed aan te pakken merken een zichtbare toename in de kwaliteit en de kennis bij de centralisten van 144, waardoor ze kwalitatief betere meldingen ontvangen. Het gebeurt echter nog wel eens dat een melding wordt uitgezet bij de ‘verkeerde’ inspecteur en/of bij meerdere inspecteurs. Op dit punt wreekt het zich dat het Landelijk Expertisecentrum Dierenwelzijn begin 2015 vanwege bezuinigingen is opgeheven. De centralisten geven aan deze specialistische vraagbaak erg te missen.
‘Door de betrokkenen bij 144 maar ook daarbuiten wordt een gemis aan een centraal punt ervaren waar kennis up to date wordt gehouden en waar op centraal niveau beslissingen worden genomen’

Samenwerking tussen inspecteurs

De samenwerking tussen de inspectiediensten verloopt in de praktijk goed. De agenten met taakaccent dierenbescherming worden in hun werk veel bijgestaan door de inspecteurs van de LID. De inspecteurs van de LID hebben immers veel kennis en ervaring, waar de dierenagent weer veel van kan leren. De samenwerking tussen de agenten met taakaccent dierenbescherming en de LID is intensiever dan die met de inspecteurs van de NVWA.
Rol Vereniging van Nederlandse Gemeenten noodzakelijk
Bij de gemaakte afspraken zijn de handhavers van mening dat ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zou moeten worden betrokken. Gemeenten spelen immers een belangrijke rol in de handhaving van dierenwelzijn en de VNG als belangenorganisatie van gemeenten zou daarom bij de afspraken niet mogen ontbreken.

Strenger strafvorderingsbeleid

In kwesties van dierenmishandeling en/of-verwaarlozing kan er strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden. Uit oogpunt van dierenwelzijn wordt veelal de bestuursrechtelijke weg bewandeld, daar via deze weg de leefsituatie van het dier sneller verbeterd kan worden, waarbij de kosten ook nog eens verhaald kunnen worden op de eigenaar. Mocht de bestuursrechtelijke weg geen soelaas bieden dan kan er eventueel strafrechtelijk worden opgetreden. Bij het strafrechtelijk optreden heeft het Openbaar Ministerie (OM) een leidende rol. De handhavers c.q. inspecteurs geven aan dat bij het OM lang niet altijd de benodigde kennis en expertise op dierenwelzijn aanwezig is. Het wordt door hen ook als een groot gemis ervaren dat er niet een vaste ‘dierenofficier’ is. 

Gebrek aan regie!

In het rapport komt veelvuldig naar voren dat het voor de betrokken spelers/instanties niet altijd even duidelijk is wie nu precies de regie heeft en wie dus als aanspreekpunt fungeert. Dit komt omdat op het terrein van dierenwelzijn twee ministeries zijn betrokken, te weten het ministerie van Economische Zaken (EZ) en het ministerie van Veiligheid en Justitie (V&J). Het ministerie van EZ is verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving en de bestuursrechtelijke handhaving, terwijl het ministerie van V&J verantwoordelijk is voor de strafrechtelijke handhaving.

Tot slot

Het rapport concludeert dat met de start van de dierenpolitie en het speciale meldnummer op het terrein van dierenwelzijn veel in beweging is gekomen en dat er veel samenwerking tussen de diverse handhavingsinstanties tot is gekomen. Ook bij het publiek is het thema dierenwelzijn door deze initiatieven meer gaan leven. Uiteraard valt er in de samenwerking nog veel te verbeteren en te professionaliseren, waarbij met name opvalt dat kennisgebrek een aspect is dat veelvuldig naar voren komt. Zo blijkt het voor de centralisten van 144 een groot gemis dat het Landelijk Expertisecentrum Dierenwelzijn (LED) is opgeheven. Tot slot lijkt er behoefte aan een professionaliseringsslag bij de medewerkers van het OM.
Het besluit om af te schalen van 500 voltijdse dierenagenten naar 180 agenten met taakaccent dierenbescherming leidt tot de vraag of de politie nog altijd wel de eerste lijnstaak inzake dierenwelzijn kan/moet vervullen. En of het centrale meldnummer nog goed gedragen kan worden door de politie. Voorts moet het duidelijk zijn dat het voor alle relevante organisaties en/of personen belangrijk is wie de regie/leiding heeft.
Al met al zijn er goede stappen gezet, alleen zal er op veel terreinen nog het nodige werk moeten worden verricht, waarbij het voornamelijk draait om goede specialistische kennis en een duidelijke regie.

De Koninklijke Hondenbescherming benadrukt daarnaast dat in haar optiek het vrijmaken van mankracht binnen het politieapparaat voor de bestrijding van verwaarlozing en mishandeling van grote waarde is. Zowel voor dierenwelzijn, als in het vlak van ondermijnende criminaliteit en bij gebleken relaties tussen verschillende vormen van criminaliteit.

Terug naar nieuwsoverzicht