Gepaste nonchalance - column

13 april 2016

‘Keer op keer zit die hond toch op de bank, terwijl ik dat vervelend vind’, de mevrouw kijkt verongelijkt. De hond niet. Die kwispelt vrolijk en vraagt zich af of er ook leukere dingen te doen zijn dan het voeren van een gesprek. Ik vraag mevrouw, netjes gekleed, maar met een paar hondenharen op haar keurige jurk, wat ze heeft gedaan om te voorkomen dat de hond op de bank kan klimmen. Terwijl we het daar over hebben, sleept de hond speeltjes aan en af om ons tot andere activiteit te bewegen. Het valt me op dat hij daarbij óm een kleed op de vloer loopt, terwijl de route naar zijn mand met speeltjes korter is als hij óver het kleed loopt.

Ik vraag mevrouw of haar dat wel eens is opgevallen. Ze antwoordt direct: ‘Klopt, ik heb hem geleerd daar niet op te komen. Het kleed is van mijn overleden moeder geweest en ik ben er erg zuinig op.’ Ik kijk haar aan terwijl er een brede glimlach op mijn gezicht verschijnt. ‘Goh, wat boeiend, en hoe hebt u hem dat geleerd?’ Terwijl haar hond met een zucht aan haar voeten neerploft en de middag saai vindt, wordt het voor mij nu echt interessant. Mevrouw vertelt gedetailleerd hoe ze vanaf het moment dat het kleed in haar huis kwam, heeft voorkomen dat de hond er op kon als ze niet kon opletten, met een scherp oog heeft gemonitord als hij dat wel kon, heeft beloond als hij dat dan niet deed en geremd als hij dat  wilde doen. ‘Met twee weken was het voor elkaar’, besluit ze trots. Ze kijkt naar het kleed. Dan kijkt ze naar haar hond, naar de bank en naar mij. Het is even stil. Zachtjes klinkt vervolgens: ‘Dat heb ik bij de bank niet gedaan, daarin heb ik niet geïnvesteerd, bedenk ik nu’.

Als je echt iets wilt, moet je er voor gaan. Als je iets níet echt wilt, moet je er niet voor gaan. “Laat maar”, kan een prima keuze zijn: gepaste nonchalance. Een energie-efficiënte keuze. Het zorgt dat je je energie daarin stopt, waar je haar nodig hebt, waar je haar wilt hebben. Maar als je “laat maar” van stal haalt, moet je het anderen niet kwalijk nemen dat ze ook niet investeren.

Vandaag is in het nieuws dat er volop gesjoemeld wordt met “spitsmijden”. Adreswijzigingen worden niet doorgegeven, verloven niet gemeld. Een hoogleraar transportbeleid zegt daarover volgens het AD: ‘Het kan zijn dat iemand vergeet om nieuwe gegevens door te geven, maar ik sluit zeker niet uit dat mensen denken: oh wat handig, ik krijg zomaar geld voor niets.' Opdrachtgevers en uitvoerders van verschillende spitsmijdprojecten willen het echter geen “sjoemelen” of “fraude” noemen. Een woordvoerder: ’In een project als dit zullen er altijd mensen zijn die misbruik maken, maar het gros heeft helemaal niet de neiging om te frauderen.’ De provincie Gelderland besluit dat het niet de moeite is de bedragen terug te vragen waarvoor mogelijk is gefraudeerd. Er wordt een “laat maar” van stal gehaald.

Als hondentrainer vraag ik me al de hele ochtend af, of die nonchalance wel gepast is. In deze tijd van sjoemelen en frauderen, bij allerlei instanties. Juist vanwege dat “gros dat helemaal niet de neiging heeft te frauderen”. Willen we niet elke kans grijpen om duidelijk te maken dat we geen sjoemelsamenleving willen? Dat áls we afspraken maken, we er ook voor gaan en die afspraken ook nageleefd willen zien? Dat we de hond óf wel toestaan om op de bank te komen, óf niet. Maar als het “niet” is, dat we er dan niet nonchalant over doen…dat lijkt me wel zo eerlijk.

Terug naar nieuwsoverzicht