Socialisatie bij wet verplicht

26 januari 2015

Socialisatie in de nieuwe wetgeving

Vanaf 1 juli 2014 is de nieuwe Wet dieren in werking getreden. De Wet dieren heeft de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) vervangen. Zoals de Gwwd is ook de Wet dieren een zogeheten kader-/raamwet die nader moet worden ingevuld met Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s). Het Besluit houders van dieren is zo’n AMvB. Het Besluit richt zich tot ‘houders van dieren’. En houders zijn al degenen die in welke hoedanigheid dan ook dieren houden. De bepalingen richten zich dus zowel op de particulier die een hond heeft, als op de persoon die honden houdt voor bedrijfsmatige doeleinden. Het besluit vervangt dus ook het Honden- en kattenbesluit dat van toepassing was op iedereen die bedrijfsmatig met honden en katten werkte, zoals onder meer fokkers, pensions en asielen.
In het Besluit houders van dieren staan in een aparte afdeling de bepalingen die van toepassing zijn op iedereen die bedrijfsmatig met honden en katten werkt. Een bepaling die nieuw is ten opzichte van het voorheen geldende Honden- en kattenbesluit is de verplichting om gezelschapsdieren te socialiseren.

Verplichte socialisatie

Dit staat in artikel 3.22 en luidt:
Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:
a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en
b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag. 

De Koninklijke Hondenbescherming is blij dat deze wettelijke eis tot socialiseren in de wet is opgenomen. De eerste fase in het leven van de hond, de socialisatiefase, is immers essentieel voor de verdere ontwikkeling. In deze periode leert de pup niet alleen ‘wie en wat’ hij is, maar ook hoe de wereld eruit ziet en hoe hij zich hoort te gedragen om zich in die wereld staande te houden. Dat betekent dat alles wat hij in deze periode als positief en negatief ervaart, een onuitwisbare indruk achterlaat. Krijgt een pup in deze periode de verkeerde indrukken, dan kan hij niet-gewenst gedrag ontwikkelen, hetgeen een hond kan opleveren met angstgedrag en mogelijk een lage bijtdrempel. 

Verantwoordelijkheid fokker

De fokker is in eerste instantie verantwoordelijk voor de opvoeding van de jonge hond. Een fokker moet er dus voor zorgen dat het de pups in het socialisatieproces aan niets ontbreekt; zij dienen een veelheid aan verschillende indrukken op te doen en die zonder angst te leren accepteren. Dit vergt een behoorlijke inspanning van de fokker omdat in wezen elke pup individueel moet worden begeleid. 

Handhaving

Het is spannend hoe de overheid de bepaling gaat handhaven. De effectiviteit van de verplichting valt of staat immers met de handhaving. In het verleden hebben wij daarom voorgesteld om een koppeling te maken tussen het aantal aanwezige honden en het aantal personeelsleden dat ter beschikking en aanwezig moet zijn. Uiteraard is de aanwezigheid van personeel op zich geen waterdichte garantie dat de jonge hondjes ook daadwerkelijk worden gesocialiseerd, maar de kans is in elk geval groter dat de hondjes voldoende aandacht zullen krijgen. En bovendien zullen grote fokkers om aan de verplichting te kunnen voldoen meer personeelsleden in dienst moeten nemen, of op kleinere schaal honden moeten gaan fokken.

Alhoewel deze koppeling tussen het aantal honden en het aantal personeelsleden niet is gemaakt, is het een groot winstpunt dat de verplichting tot socialisatie in de wet is opgenomen.

Terug naar nieuwsoverzicht