Wet houden van dieren. De verzorging, het houden en de behuizing.

4 juli 2014

De Wet dieren en het verbod op dierverwaarlozing

De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) is vervangen door de zogeheten Wet dieren. Het verbod op dierverwaarlozing dat voorheen stond in artikel 37 van de Gwwd staat nu in artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren. De wettekst is nagenoeg onveranderd en luidt: ‘Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden’.

Dit wetsartikel brengt tot uitdrukking dat het houden van dieren niet vrijblijvend is. Wie dieren houdt, draagt ook verantwoordelijkheid voor zijn dieren. Op grond van artikel 2.2. lid 8 Wet dieren kan bijvoorbeeld ook worden opgetreden tegen het zonder verzorging achterlaten van huisdieren. Op de houder van een dier rust dus een zorgplicht.

In het zogeheten Besluit houders van dieren, staan de artikelen 1.6 t/m 1.8 die mede invulling geven aan de zorgplicht uit artikel 2.2. lid 8 Wet dieren. Deze bepalingen bevatten algemene normen voor de verzorging en huisvesting van dieren die gelden voor alle categorieën houders van dieren. Deze normen zijn te beschouwen als basiseisen die bij het houden van dieren in ieder geval in acht genomen moeten worden en bieden voor inspecteurs een handvat om in voorkomend geval op te treden tegen onwenselijke situaties. Deze bepalingen zijn, ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving, nieuw.

De bepalingen 1.6 t/m 1.8 Besluit houders van dieren luiden:

Artikel 1.6. Houden van dieren

1.De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.
2.Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
3.Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.
4.De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen.

Artikel 1.7. Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;
b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;
e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;
g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.

Artikel 1.8. Behuizing

1.Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.
2.Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.
3.In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.
4.De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.

Terug naar nieuwsoverzicht